avondmaal.jpg

Pastoralia

Pastoralia 124: Je hebt deel aan Jezus.

Bijbeltekst: 1 Petrus 2 : 1 t/m 10.

Kent u ook die behoefte om ergens bij te horen? Mensen zijn ‘kuddedieren’, een mens op zichzelf is al snel eenzaam. Daarom doet men van alles om erbij te horen. Ze dossen zich uit in de meest uitzinnige creaties van oranje kleding, om maar aan te geven; ik hoor er ook bij hoor? Of je doet mee aan een bepaald modebeeld om maar bij een groep te horen. Zo had je allerlei jeugdgroepen, de kakkers, de gabbers, punkers enz. Allemaal om er maar bij te horen. En ook in het negatieve soms. Mensen die iets hebben tegen de overheid, vinden elkaar in anti-corona groeperingen. Of men sluit zich aan bij voetbalhooligans. Is dat erg ergens bij te willen horen? Nee, hoor, maar belangrijker is bij Wie je hoort. En voor een christen is dat heel speciaal. Laten we daar eens naar kijken samen.

Erfdeel.
Het woord erfdeel komt uit een agrarisch verleden. In het Oude Testament komt het beeld van het land Israël naar voren. Een vooral agrarische samenleving. Bestaande uit boerengemeenschappen. Dat woord erfdeel komt uit die levenssfeer. Een boer heeft namelijk een erf. Daar behoren zijn huis en opstallen, maar ook zijn weiden bij. Wanneer een boer kinderen krijgt hebben zij rechtens recht op een deel van dat erf. Dat is hun erfdeel. En dat recht heb je al bij leven. Een mooie illustratie daarbij geeft de gelijkenis van de ‘verloren’ zoon uit Lucas 15. De vader, die nog leeft, geeft de jongste van zijn twee zonen zijn erfdeel. Enerzijds is dat zijn goed recht, want de jongste heeft er recht op, maar anderzijds is het ook onbehoorlijk, want zijn vader leeft nog, dat doe je dus niet, jouw deel van de erfenis opeisen terwijl de erflater nog leeft. Dat dit recht niet vervalt, maar blijft bestaan is te zien aan wat de vader doet bij de terugkeer van zijn zoon. Hij zegt niet; ‘nee, je hebt je erfdeel gehad en het recht verspeelt op de erfenis’. Nee, hij laat het mooiste gewaad halen en doet hem een ring aan zijn vinger en geeft hem sandalen en laat bovendien het gemeste kalf slachten. De zoon deelt gewoon weer in de erfenis, tegen de zin van zijn broer. Ook wij hebben een erfdeel. Maar toch op een iets andere manier, meer op de manier van de Levieten. Mozes deelde het beloofde land in. Elke stam kreeg een deel van Kanaän. En binnen dat gebied kreeg elke familie zijn deel en binnen dat deel kreeg elk gezinshoofd en dus ook zijn gezin, een deel. Dat was het erfdeel van de Israëlieten. Maar één stam kreeg geen gebied. Dat was de stam van Levi. “Mozes had de Levieten geen grondgebied toegewezen. Zij zouden mogen delen in de offergaven aan de Heer, de God van Israël. Zoals Hij hun had beloofd”, Jozua 13 : 14. De Levieten kregen als erfdeel, de Heer zelf, de dienst aan de Heer. Dat was een bijzondere positie. “Maar de Levieten zullen niet zoals u delen in het land, hun is het toebedeeld priesters van de Heer te zijn”, Jozua 18 : 7. Toch stonden ze niet helemaal met lege handen, want in Israël stonden de overige stammen steden af, waarin de Levieten woonden. Het erfdeel van de Levieten, het Priestergeslacht is de Heer zelf. Zij ontvingen hun positie, hun bestaansrecht in en door de dienst aan de Heer. Wij vormen als kinderen van God ook een Priestergeslacht, kijk maar wat Petrus daarover zegt in 1 Petrus 2 : 9.; “Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot een wonderbaarlijk licht” en in vers 5, “Vorm een heilige priesterschap om geestelijke offers te brengen die God, dankzij Jezus Christus welgevallig zijn”. Zo heb je deel aan Christus, zo heb je deel aan God. Zo heb je deel aan de erfenis.

Erfenis.
Maar wat is die erfenis dan? Een ieder van ons heeft een erfdeel ontvangen. Daar heb je nu al recht op. De erfenis komt echter pas los als de erflater overleden is. Maar, en dat gold ook in de Bijbel al, je had bij je leven al het vruchtgebruik van de erfenis, dat erfdeel van je. Kijk maar weer naar de gelijkenis van Jezus, naar wat de vader zegt tegen zijn boze oudste zoon. “Zijn vader zei tegen hem: ‘Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is is van jou”, Lucas 15 : 31. Nou kan je zeggen; ‘ja, maar dit is maar een gelijkenis’. Dat klopt, maar Jezus gebruikt voor Zijn gelijkenissen gebeurtenissen uit het gewone dagelijkse leven in Israël. Zo konden de mensen er zich mee identificeren. Het was dus niet wereldvreemd. Je hebt als kind al bij leven het vruchtgebruik van de erfenis. En zo is dat ook met ons erfdeel. Wij hebben nu al het vruchtgebruik van de erfenis. Namelijk de vergeving van de zonden en het eeuwige leven. Dat is dus niet iets voor later pas, nee, nu al. Je zonden worden je nu al vergeven en het eeuwige leven begint nu al. Maar dat is alleen zo, als je de Here Jezus Christus hebt aangenomen als je Heer en Redder. Als je je leven nu in Zijn handen legt. Natuurlijk ontvang je de hele erfenis pas na de dood. En dit is nu wel even iets anders dan gebruikelijk. Meestal krijgen zij die achterblijven de erfenis van hem of haar die overleden is. Maar wij ontvangen de erfenis als wij overlijden. Dan begint het tweede deel van ons leven, het eeuwige deel. Ik las deze week een mooie uitspraak van een kind in het Nederlands Dagblad, in de rubriek ‘Ik en mijn huis’. “Oma, is het leven een lange droom ? En is het in de hemel pas echt?” Een mooie kindergedachte. Maar ik zou er volmondig ja op kunnen zeggen. Dit leven is maar het begin. Een seconde in verhouding met het leven in eeuwigheid. Dit leven is misschien een boze droom, maar er wacht ons iets heerlijks, we mogen eeuwig samen zijn met God. Nu is het leven aangetast door zonden. We hebben de vergeving van de zonden ontvangen, maar we doen nog wel steeds zonde en moeten dus telkens een beroep op ons erfdeel doen. Maar straks in de hemel is er geen zonden meer, doen we geen zonde meer, dan zijn we definitief losgemaakt van de zonden. Dan hebben we de erfenis geheel ontvangen, de vergeving van de zonden. Maar die zonden moeten dus eerst nog wel afsterven. En het vreemde is nu dat niet de Erflater daarvoor moet sterven, maar wij zelf.

Erflater.
De Erflater is Hij, die de erfenis nalaat. Nu is het bijzondere dat onze Erflater leeft. Jezus Christus onze Heer. Ja, Hij is gestorven, maar Hij is opgestaan uit de dood en heeft zo de dood overwonnen. Heel de Bijbel spreekt over Hem, de Erflater. Zowel het Oude, als het Nieuwe Testament. Testament, weer zo’n term uit het erfrecht. Een erflater maakt een testament op. Daarin staat wat hij aan wie nalaat. Dat wordt je in het testament belooft. Karel krijgt de klok, Marie, het porseleinen servies, enz. Dat betekent niet alleen dat je er op grond van het testament recht op hebt, het is ook een belofte. Je kunt er op rekenen. Nu zo is het ook met de Bijbel, er staan tientallen, honderden beloften van God in. Die krijg je, dat wordt je nagelaten op grond van dat Testament. En het mooie is je krijgt het vruchtgebruik er nu al van. Waarom? Omdat de Erflater leeft en daar zelf zorg voor draagt. “Ik zal ervoor zorgen dat de belofte van mijn Vader aan jullie wordt ingelost”, Lucas 24 : 49. Doordat de Erflater leeft, kan Hij er zelf voor zorgdragen dat de erfenis wordt uitgevoerd stipt volgens Zijn wil. Dat is bij ons mensen nogal eens anders. Maar dan moet je wel iets hebben met die Erflater. Je moet deel van Hem zijn. Wanneer je Hem hebt aangenomen als jouw Heer en Redder, komt Hij in jou wonen met Zijn heilige Geest. Zo ben je deel van Hem geworden. Dan heb je iets met Hem, dan hoor je bij Hem. En dan heb je ook deel aan Zijn erfenis. Daar mag je op rekenen, want Hij zorgt daar hoogstpersoonlijk voor. Dat staat vast en zeker. Want “zo ver als het oosten is van westen, zover heeft hij onze zonden van ons verwijderd. Zo liefdevol als een vader is voor zijn kinderen, zo liefdevol is de Heer voor wie Hem vrezen”, Psalm 103 : 12 en 13. Op die belofte reken ik, u ook?
F.L.

 

Afdrukken E-mailadres

Wees positief. Er zijn genoeg mensen die de negatieve kant van de zaak zien.